DBC Onderhoud

Dbc-regels registratie - 2018

Filter op:

U kunt voor u niet-relevante informatie verbergen door de instellingen die niet voor u van toepassing zijn uit te vinken.

Type instelling

Crisisdienst

Samenvatting

De identificatiegegevens moeten voldoen aan de Regeling ‘Verplichte aanlevering minimale dataset ggz Zvw’ en uiterlijk op het moment van sluiten van de dbc zijn ingevuld.

Bij een initiële dbc kunt u kiezen uit deze zorgtypen:

  • Reguliere zorg (code 101)
  • Second opinion (code 106)
  • Zorg op basis van tertaire verwijzing (code 107)
  • Langdurig periodieke controle (bij overname) (code 108)
  • Bemoeizorg (code 109)
  • Rechterlijke machtiging (rm) (code 110)
  • Inbewaringstelling (ibs) (code 111)
  • Rechterlijke machtiging met voorwaarden (code 116)
  • Overgang vanuit de Jeugdwet (code 147)
  • Uitzondering parallelliteit ect (152)
  • Uitzondering parallelliteit farmacotherapie (153)
  • Uitzondering parallelliteit tijdelijk verblijf (154)

Bij een vervolg-dbc kunt u kiezen uit deze zorgtypen:

  • (Langdurig periodieke) controle (code 201)
  • Voortgezette behandeling (code 202)
  • Uitloop (code 203)
  • Exacerbatie/recidive (code 204)
  • Bemoeizorg (code 205)
  • Rechterlijke machtiging (rm) (code 206)
  • Rechterlijke machtiging met voorwaarden (code 211)
  • Uitzondering parallelliteit ect (252)
  • Uitzondering parallelliteit farmacotherapie (253)

U stelt de diagnose volgens de diagnosetabel van de NZa. Deze is te vinden op werkenmetdbcs.nza.nl. Deze diagnosetabel is gebaseerd op de DSM-IV-TR.

Het is verplicht een diagnose te registreren, behalve bij een crisis-dbc en bij dbc’s met alleen diagnostische activiteiten.

Per as gelden onder andere de volgende voorschriften:

As 1

  • De diagnose 799.9 ‘diagnose/aandoening uitgesteld’ is niet toegestaan.
  • Als er geen As 1-stoornis is, dan kiest u V71.09 ‘geen diagnose of aandoening op As 1 aanwezig’.

As 2

  • U kunt maximaal één code voor zwakzinnigheid kiezen.
  • Per persoonlijkheidsstoornis sluiten de mogelijkheden ‘aanwezig’ en ‘trekken van’ elkaar uit.
  • 799.9 ‘diagnose/aandoening uitgesteld’ is nooit de primaire diagnose van de dbc.
  • Als er geen As 2-stoornis is, dan kiest u V71.09 ‘geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’.

As 3

  • Kies alleen somatische diagnoses met een directe relatie met de As 1- of As 2-stoornis.
  • Als er geen somatische aandoening is of deze geen gevolgen heeft voor de behandeling, kiest u ‘geen of geen relevante diagnose op As 3 enkelvoudig’.
  • Als er een somatische aandoening met beperkte gevolgen is, kiest u ‘diagnose voor As 3 enkelvoudig’.
  • Als er een somatische aandoening is die veel gevolgen heeft of zorgverzwarend werkt voor de As 1- of As 2-stoornis,  kiest u ‘diagnose op As 3 complex’.

As 4

  • Als er geen psychosociale en omgevingsfactoren zijn met een duidelijk zorgverzwarende factor bij de behandeling van de primaire diagnose, kiest u ‘diagnose of aandoening niet aanwezig’.

As 5

  • U legt de GAF-score driemaal vast: de hoogste van de afgelopen 365 dagen, de GAF-score op het moment van openen en de GAF-score op het moment van sluiten van de dbc.

Bij meerdere primaire diagnoses kunt u kiezen voor parallelle of opvolgende zorgtrajecten:

  • Parallelle zorgtrajecten: de primaire diagnoses moeten binnen verschillende diagnosehoofdgroepen vallen. Er zijn drie uitzonderingen waarbij parallelliteit met dezelfde diagnosehoofdgroep wel is toegestaan tussen instellingen: bij ect, farmacotherapie en tijdelijk verblijf. Hiervoor bestaan aparte zorgtypes. Bij behandeling bij tijdelijk verblijf is het niet toegestaan een vervolg-dbc te openen. 
  • Opeenvolgende zorgtrajecten: als een van de diagnoses het meest dringend is. Voorwaarde voor opeenvolgende dbc’s en bijbehorende zorgtrajecten is dat de primaire diagnoses van elkaar verschillen.
Afdrukken