DBC Onderhoud

Spelregels DBC-registratie ggz - 2013

Filter op:

U kunt voor u niet-relevante informatie verbergen door de instellingen die niet voor u van toepassing zijn uit te vinken.

Type instelling

Crisisdienst

Samenvatting

De identificatiegegevens moeten voldoen aan het hieromtrent gestelde in de Regeling ‘Verplichte aanlevering minimale dataset GGZ Zvw’ en uiterlijk op het moment van sluiten van de DBC volledig en juist zijn ingevuld. Bij een initiële DBC moet een keuze worden gemaakt uit één van de onderstaande zorgtypen:

  • Reguliere zorg (code 101)
  • Second opinion (code 106)
  • Zorg op basis van tertaire verwijzing (code 107)
  • Langdurig periodieke controle (bij overname) (code 108)
  • Bemoeizorg (code 109)
  • Rechterlijke machtiging (code 110)
  • Inbewaringstelling (IBS) (code 111)
  • Ondertoezichtstelling (OTS) (code 115)
  • Rechterlijke machtiging met voorwaarden (code 116)
  • Jeugdstrafrecht (code 117)

Bij een vervolg-DBC moet een keuze worden gemaakt uit één van de onderstaande zorgtypen:

  • (Langdurig periodieke) controle (code 201)
  • Voortgezette behandeling (code 202)
  • Uitloop (code 203)
  • Exacerbatie/recidive (code 204)
  • Bemoeizorg (code 205)
  • Rechterlijke machtiging (code 206)
  • Ondertoezichtstelling (OTS) (code 210)
  • Rechterlijke machtiging met voorwaarden (code 211)
  • Jeugdstrafrecht (code 212)

De diagnose moet gesteld worden conform de diagnosetabel van DBCOnderhoud. Deze is te vinden c.q. te raadplegen via www.dbconderhoud.nl. Deze diagnosetabel is gebaseerd op de DSM-IV-TR.

Het is verplicht een diagnose te registreren, behalve bij de zorgtypen ‘crisisinterventie zonder opname’, ‘crisisinterventie met opname’. Ook bij DBC’s waar alleen diagnostische activiteiten of indirecte tijd wordt geregistreerd, is het niet benodigd om een diagnose te registreren.

De diagnose moet geregistreerd worden conform de tabellen uit hoofdstuk 3. Per as gelden verder de navolgende voorschriften:

  • As 1: de diagnose 799.9 ‘diagnose/aandoening uitgesteld’ is niet toegestaan;
  • As 1: als er geen As 1-stoornis bij de betreffende patiënt aanwezig is, dan moet V71.09 ‘geen diagnose of aandoening op As 1 aanwezig’ worden geregistreerd;
  • As 2: er mag maximaal één code voor zwakzinnigheid worden geregistreerd;
  • As 2: per persoonlijkheidsstoornis sluiten de antwoordmogelijkheden ‘aanwezig’ en ‘trekken van’ elkaar uit;
  • As 2: 799.9 ‘diagnose/aandoening uitgesteld’ kan nooit de primaire diagnose van de DBC zijn;
  • As 2: als er geen As 2-stoornis bij de betreffende patiënt aanwezig is, dan moet V71.09 ‘geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’ worden geregistreerd;
  • As 3: alleen somatische diagnoses die een directe relatie hebben met de As 1- of As 2-stoornis mogen worden geregistreerd;
  • As 3: als er geen somatische aandoening aanwezig is of deze geen consequenties heeft voor de behandeling van de patiënt, dient te worden gekozen voor: ‘geen of geen relevante diagnose op As 3 enkelvoudig’;
  • As 3: als er een somatische aandoening met beperkte consequenties is, dient te worden gekozen voor: ‘diagnose voor As 3 enkelvoudig’;
  • As 3: als er een somatische aandoening is die veel consequenties heeft, dan wel zorgverzwarend werkt voor de As 1- of As 2-stoornis, dient gekozen te worden voor: ‘diagnose op As 3 complex’;
  • As 4: als er geen psychosociale factoren en omgevingsfactoren zijn die een duidelijk zorgverzwarende factor vormen bij de behandeling van de primaire diagnose, dient gekozen te worden voor: ‘diagnose of aandoening niet aanwezig’;
  • As 5: het is verplicht om de GAF-score driemaal vast te leggen: de hoogste van de afgelopen 365 dagen, de GAF-score op het moment van openen en de GAF-score op het moment van sluiten van de DBC.

De primaire diagnose kan/mag niet zijn:

  • 799.9 diagnose/aandoening uitgesteld
  • V71.09 geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig

Bij kinder- en jeugdpsychiatrie geldt:

  • Voor kinderen onder de 18 jaar kan/mag geen persoonlijkheidsstoornis worden geregistreerd, tenzij deze tijdens de looptijd van de initiële DBC duidelijk wordt;
  • Op As 5 dient met de CGAS te worden gewerkt in plaats van met de reguliere GAF-score;
  • Voor kinderen jonger dan 4 jaar hoeft geen CGAS ingevuld te worden en kan in plaats van de DSM-IV-TR de DC: 0-3 worden gebruikt. Deze keuze is aan de behandelaar.

Bij meerdere primaire diagnoses kan een keuze gemaakt worden tussen parallelle en elkaar opvolgende zorgtrajecten:

  • Parallelle zorgtrajecten: bij verschillende diagnoses met een gelijkwaardig belang. De hoofdbehandelaar dient deze keuze te kunnen verantwoorden middels meerdere initiële DBC’s en bijbehorende zorgtrajecten. Voorwaarde is dat de diagnoses in verschillende hoofdgroepen vallen;
  • Opeenvolgende zorgtrajecten: als een van de diagnoses het meest dringend is. Voorwaarde voor opeenvolgende DBC’s en bijbehorende zorgtrajecten is dat de primaire diagnoses van elkaar verschillen.
Afdrukken